Saturday, 6 June 2020

ROGIER VAN OTTERLOO (1941-1988)

Inleiding

Onderstaand artikel is gewijd aan componist, arrangeur en orkestleider Rogier van Otterloo (1941-1988). Het valt uiteen in twee delen; hieronder volgt eerst een levensbeschrijving van Van Otterloo, waarna in het tweede deel uitgebreid wordt stilgestaan bij diens betrokkenheid bij het Eurovisiesongfestival. Aan het slot vindt men een uitgebreide lijst van gebruikte bronnen. 

An English version of this article was published on the website 'And the Conductor is' and can be accessed by clicking this link.

Bas Tukker / Gendringen, Nederland, april-juni 2020 

Biografie

Rogier van Otterloo werd geboren op 11 december 1941 in Amsterdam; zijn jeugdjaren bracht hij door in Bilthoven, Wassenaar en opnieuw Amsterdam. Zijn moeder, Ankie Heukers, was balletdanseres; zijn vader Willem van Otterloo, chef-dirigent van het Utrechts Stedelijk Orkest (1937-1949) en later van het Residentie Orkest in Den Haag (1949-1974). In zijn jeugd nam Rogiers vader hem dikwijls mee naar orkestrepetities. Toen zijn zoon zes jaar oud was, besloot Willem van Otterloo dat het tijd was hem naar vioolles te sturen.

“Ik heb ook in het katholiek knapenkoor gezongen”, herinnerde Rogier zich later, “maar daar ben ik uitgegooid, omdat ik te wild was en overal inklom. Er hing thuis een hoog muzikale sfeer. Ik kreeg al heel jong vioollessen en had daar veel moeite mee. Ik kreeg er altijd ergens pijn van, was het mijn pols niet, dan was het wel mijn arm of schouder. Ook muzikaal zat ik niet goed en mijn interesse verdween helemaal, toen ik toevallig de drummer van het [Amsterdamse] City Theaterorkest ontmoette en voor ik het wist achter een groot drumstel in de lege City-bioscoop zat. Dat klonk waanzinnig, als je een harde roffel door die holle zaal gaf. Ik was toen helemaal voor de klassieken verloren. Mijn ouders waren toen juist gescheiden en we hadden weinig geld. Mijn eigen drumstel heb ik bij stukjes en beetje op en om het Waterlooplein bij elkaar gescharreld. In ons kleine huis in de Willem Pijperstraat stond het in de kelder. De enige buurman die er last van kon hebben, was een beetje doof.”

Ondanks het geringe succes van zijn vioollessen, die zes jaar aansleepten, verflauwde zijn liefde voor de klank niet – “Ik blijf viool het mooiste instrument vinden”, zo stelde hij eens. Zijn ‘klassieke’ opvoeding bleef ook later integraal deel van zijn wezen. Desgevraagd zei hij eens over de rol van zijn vader in zijn jeugd: “Werkelijk alle kwaaltjes van mij werden verholpen met een symfonietje van Mozart. Voor mij is een symfonietje van Mozart net zoiets als een boterham met kaas voor iemand anders. Ik had vroeger veel last van migraine en dan zei pa: “Joh, kom maar mee, het is zo weer over”. En dan kreeg ik een gedeelte van de ‘Mattheus Passion’ van Bach te horen. Natuurlijk hielp dat niet. Maar ik vond het wel fascinerend dat je daardoor onbewust en later bewust iets vanzelfsprekends meekrijgt. Een heleboel musici hebben dat niet. Het is net of je van het begin af aan Frans leert in plaats van pas op je twaalfde.”

Rogier aan de drums in de Orion Jazz Band

Als puber ontdekte Rogier de jazzmuziek. Het was liefde op het eerste gezicht. Zonder ooit percussielessen te hebben genomen, speelde hij drums in verschillende Dixielandorkestjes; met de Orion Jazzband, een groep jonge Amsterdamse amateurmusici, trad hij op door heel Nederland. In 1958 won de band het zogenoemde Jazz at the Castle-concours. Bandleider Jan van der Woord herinnert zich het enthousiasme van zijn drummer: “Hij nam je mee naar de kelder, waar een drumstel en een grammofoon met versterker stonden. Dan zei hij: “Moet je nou eens horen wat een geweldige muziek!” Hij zette dan een plaat op van Stan Kenton en begon zonder aarzelen mee te spelen. Hij bleek die arrangementen volledig uit het hoofd te kennen. Elke slag was raak.” En over Rogiers opvallende podiumgedrag: “Hij speelde regelmatig een drumsolo, stopte dan halverwege, stond op om het applaus in ontvangst te nemen en ging verder alsof er niets gebeurd was, waarna wij op zijn duidelijke aanwijzing weer invielen.”

In 1959 formeerde Rogier met zijn schoolvrienden Edwin Rutten en René Holdert het Gold Coast Combo. De Dixieland werd ingeruild voor eigentijdse jazz. Inmiddels had Rogier zichzelf geleerd de piano te bespelen. Het trio verdiende behoorlijk wat geld op jazzfestivals en privéfeestjes. In 1961 tekenden ze een contractje bij platenlabel Delta voor één EP’tje, ‘Swingin’ swayers’. Als bandleider van de groep tekende Rogier zelf voor de arrangementen. René Holdert: “Rogier zocht vaak zelf de harmonieën uit. Daar was hij heel goed in. Als hij van een liedje alleen het melodietje kende, ging hij achter zijn piano zitten. Na twee dagen had hij de harmonieën neergezet. De derde dag veranderde hij er weer een paar om het mooier te laten lopen.”

In de tweede helft van de jaren ’50 en de vroege jaren ’60 werd jazz als uiting van jeugdcultuur ingehaald door rock ‘n’ roll en ‘beatmuziek’, maar Rogier wilde daar niets van weten. Holdert: “Hij vond het rotzooi. Het waren maar drie akkoorden. Ik vond die muziek soms best leuk, maar daar was met Rogier geen discussie over mogelijk. Wat dat betreft kon hij erg conservatief zijn. Ten opzichte van die muziek was jazz natuurlijk elitair.” 

Een buurmeisje in Wassenaar echter weet zich te herinneren hoe ze in 1959 telkens weer het geluid van Cliff Richards singletje ‘Living doll’ uit Rogiers slaapkamerraam hoorde klinken; misschien schaamde hij zich ervoor uit te komen dat hij ook graag naar teenagermuziek luisterde?

Rogier (uiterst rechts, met sigaret) in het Gold Coast Combo - met Edwin Rutten op drums en René Holdert als bassist; wie de trompettist is die het trio op deze foto begeleidt, is onbekend (± 1961)

Nadat hij uiteindelijk in 1962 met enkele jaren vertraging zijn middelbare schooldiploma had behaald aan het Amsterdamse Vossiusgymnasium, mocht Rogier als beloning met zijn vader drie maanden lang mee naar Australië. Down under verzorgde Willem van Otterloo gastoptredens met klassieke orkesten in Melbourne, Perth, Brisbane en Sydney. Rogier: “Ik was overal bij, vond het fascinerend, we hebben ook veel met elkaar kunnen praten en ten slotte besloot ik toen toch naar het conservatorium te gaan en van de muziek mijn beroep te maken. Na mijn diensttijd – ik werd tamboer in de Koninklijke Militaire Kapel – ging ik naar het conservatorium: theorie en concertfluit als hoofdvakken, piano als bijvak. Ik ging vooral naar die opleiding, omdat ik wilde leren arrangeren en componeren voor grote amusementsorkesten en big bands. Ik heb al vroeg ontdekt dat ik de man van de grote lijn in het orkest ben, van het geheel en niet de instrumentalist. Ik luister altijd naar het eerste.”

Tijdens zijn jaren aan het Amsterdams Muzieklyceum (1964-’66) studeerde Van Otterloo bij gekende klassieke musici Jolle de Wit (dwarsfluit) en Hans Henkemans (piano). In zijn vrije tijd bleef hij schnabbelen met het Gold Coast Combo en, iets later, ook bij The New Orleans Seven, het jazzensemble van Hans IJzerdraat. Voor Rogier waren zijn studentenjaren niet de gelukkigste van zijn leven: “Op het conservatorium had ik wel last van mijn beroemde vader, want daar werd gezegd: “Kijk, daar komt een Van Otterloo binnen, nu zullen we eens eventjes goed opletten”. Dan moest ik alle zeilen bijzetten.”

Examen aan het conservatorium deed Rogier nooit; in 1966 werd hij van het instituut weggestuurd. Toen hij zijn begaafdheid als arrangeur wilde aantonen, schreef hij een partituur, waarvan hij vervolgens een bandopname maakte. Die nam hij mee naar de directeur van het Muzieklyceum; deze weigerde echter al na tien maten om nog verder te luisteren en schakelde de bandrecorder uit. Rogier was woedend – en dat gold ook voor het schoolhoofd. Rogier: “Toen werd ik verwijderd. Ach, allerlei moeilijkheden. Ik wilde weten hoe ik moest arrangeren, niet alleen maar horen hoe Mozart indertijd instrumenteerde. Nou ja, dat ging dus fout en toen ben ik bij Lurelei pianist geworden.”

Lurelei was een cabaretgroep die bekendstond om zijn maatschappijkritische teksten. Vooral ‘Arme ouwe’, een komisch liedje over Koningin Juliana, veroorzaakte in koningsgezinde kringen behoorlijke deining. Eén van de groepsleden was Gerard Cox; hij heeft levendige herinneringen aan de samenwerking met de op dat moment pas vierentwintig jaar oude Rogier: “Hij was bijna kinderlijk, een beetje een studentikoze jongen. De manier waarop hij sprak, supernetjes. Maar als hij iets maakte, was het briljant. (…) Hij had de muziek voor ‘Arme ouwe’ gemaakt, schitterende muziek. Hij speelde niet zo goed piano, maar hij speelde de piano als een totaal orkest, met schitterende akkoorden. Hij was het totaal oneens met de tekst. (…) Zijn noodlot was dat we in die tijd nog in doodgewone zaaltjes optraden, en dan stond de piano wel eens in de zaal. Als het publiek tegen het lied zou ageren, was hij de eerste die vermoord zou worden, want hij zat het dichtste bij. Maar de mensen stonden alleen maar op en riepen “Schande!” en dan begon hij al steeds sneller te spelen.”

Al na één theaterseizoen besluit Van Otterloo Lurelei te verlaten, omdat hij er de voorkeur aan geeft zich toe te leggen op arrangeren. Reeds lang had hij de ambitie gehad in het studiowereldje door te dringen. Aanvankelijk werkte hij vooral voor het kleine Iramac-label; hij schreef er arrangementen voor platen van Thijs van Leer, The Outsiders en zijn oude schoolvriend Edwin Rutten. Rogier componeerde ook liedjes als ‘Een broekje in de branding’ voor Gerard Cox en ‘Sandra’ voor Frans Halsema. Bovendien schreef hij hun arrangementen, niet alleen voor studio-opnames, maar ook voor liveoptredens met grootorkest. In 1969, toen Halsema optrad met het Metropole Orkest in het kader van het Holland Festival, schreef Van Otterloo zijn eerste orkestpartijen voor het roemruchte ensemble van Dolf van der Linden. Voor de jonge arrangeur voelde het als een lakmoesproef, zo vertelde hij enkele jaren nadien: “In zo’n eerste arrangement barst het vaak van de fouten en je doet de eerste drie nachten geen oog dicht. Maar ik heb de eerste tijd wel veel steun gehad van Dolf van der Linden.”

Intussen hadden ook andere opdrachtgevers de talenten van Rogier van Otterloo als arrangeur onderkend. Zo schreef hij voor diverse kleinere omroeporkesten, maar kwamen ook opdrachten van grotere grammofoonplatenmaatschappijen zijn kant uit. Zo kwam hij in 1970 via Tonny Eyk in contact met CBS-platenbaas John Vis. Onder de indruk van Van Otterloo, koppelde Vis hem onmiddellijk aan zijn jonge producer Ruud Jacobs. Samen werkte het duo aan een indrukwekkende reeks platenprojecten. Eén van de eerste daarvan was een album waarop Rita Reys composities van Burt Bacharach vertolkte (1971).

Met oudste zoon Bas (begin jaren '70)

Ook in die tijd nog toonde Rogier weinig belangstelling voor popmuziek; hij kende Bacharach nauwelijks van naam, maar juist dat was in de ogen van Vis eerder een voor- dan een nadeel: “Iedereen kopieerde de originele arrangementen van de meester zelf. Het was allemaal geënt op de originele versies van Bacharachs pasdame Dionne Warwick. Ik dacht: “Als Rogier kennismaakt met die stukken, en hij kent de andere versies niet, dan krijg ik een heel andere versie van een stuk dan iedereen kent.” Rogier was niet iemand die de hele dag platen zat te draaien van God en iedereen. Daarom had hij dat oorspronkelijke. Dat is de reden waarom ik met hem Burt Bacharach durfde te doen.”

Onder de vleugels van John Vis, die zijn protegé ter inspiratie platen mee naar huis geeft van onder meer Johnny Mandel en Claus Ogerman, weet Van Otterloo in volgende jaren zijn muzikale horizon aanmerkelijk te verbreden. In de platenstudio verzorgt hij onder meer arrangementen voor albums met kleinkunstenaars Frits Lambrechts en Jules de Corte, terwijl hij ook werkt met virtuoze instrumentalisten als Louis van Dijk, Chris Hinze en Thijs van Leer – voor hen schreef hij orkestraties in een opvallend barokke stijl. Ineens blijkt cross-over een gat in de markt; CBS-platen op het snijvlak van pop, jazz en klassiek vliegen over de toonbank. In het bijzonder ‘Introspection’ van dwarsfluitist Thijs van Leer (1972) is een kassucces: de elpee handhaaft zich liefst 132 weken in de albumverkooplijsten. Tegelijkertijd echter voelt Van Otterloo zich af en toe ongemakkelijk bij de muzikale richting die Vis hem telkens weer opduwt.

Ruud Jacobs hierover: “Rogier vond ‘Introspection’ wel aardig, maar hij had er een dubbel gevoel bij, omdat hij klassieke stukken moest arrangeren. Dat vond hij heel moeilijk. De ‘Pavane’ is van zichzelf prachtig, maar wij zeiden dan: “Als we nou zachtjes een basje eronder doen en een klein beetje drums, heel bescheiden…” Hij deed het wel, maar hij kende dan toch een soort gêne.”

Schiphol: op weg naar een opnamesessie in Londen, van links naar rechts: Rogier, Pim Jacobs, Rita Reys en Ruud Jacobs

 In 1973 schreef Van Otterloo het arrangement bij de nummer-één-hit van Gerard Cox, ‘’t Is weer voorbij die mooie zomer’. Het betrof een coverversie van een nummer dat eerder door Arlo Guthrie en Joe Dassin op de plaat was gebracht. Rogier nam het op aan het einde van een lange opnamedag voor een jazzplaat met gitarist Wim Overgaauw. Een behoorlijk aantal sessiemuzikanten was al naar huis. 

Geluidstechnicus Dick Bakker: “Toen sprak Rogier de historische woorden: “Och ja, da’s waar ook, die Drol van Kots”. Het was typisch voor Rogier om een beetje laatdunkend te doen over dingen die hij eigenlijk beneden zijn stand vond. Hij had een arrangementje geschreven, maar niet alle instrumenten die hij nodig had, waren nog in de studio aanwezig. Daarom improviseerde hij met de musici die er nog zaten. Bij het liedje was eigenlijk helemaal geen accordeonpartij, maar Harry Mooten zat er toch nog – dus hij gebaarde Harry nog even te blijven zitten. Verder nog een paar anderen en Letty de Jong als achtergrondzangeres. Mary, de vrouw van Willem Duys, liep er ook nog rond, dus die werd er ook bijgehaald voor het koortje. “Hup jongens, laten we snel die handel even opnemen”, riep Rogier. Ik denk dat het in tien minuten gepiept was. Daarna heb ik gauw de boel nog even afgemixt en dat was dan de single voor Gerard Cox!”

Toen een journalist hem vroeg naar zijn arrangeerwerk, stelde Rogier van Otterloo dat het eerder als een ambacht moet worden beschouwd dan als kunst. Hij gaf eerlijk toe dat hij liever aan zijn eigen composities werkte. Uiteindelijk kreeg hij in 1974 belet van John Vis een soloalbum met instrumentale stukken te maken, ‘Visions’. Volgens Van Otterloo was de elpee een poging een sound te creëren die zowel de metselaar als de musicus met een conservatoriumopleiding zou aanspreken. Naar de mening van Ruud Jacobs echter was ‘Visions’ een slechts ten dele geslaagd album: “Rogier vond het geweldig. Ik vond het interessant om te doen, maar het was ‘te veel’. John en ik waren niet zo gek op koper. Ja, zachte hoorns of een mooie trombone, maar niet dat getetter. Dat was er al genoeg. De kracht van Rogier lag in het arrangeren van de strijkers. Dat kon hij als geen ander. Maar als je in zijn hart keek, dacht hij: “Ik wil nu toch wel eens koper en Stravinsky-achtige dingen.” Dat had hij van zijn vader natuurlijk.”

In 1973 schreef Van Otterloo de strijkersarrangementen bij ‘Holland’, het album dat de Beach Boys opnamen in een studio in het Noord-Hollandse Baambrugge; daarmee was hij de enige Nederlandse musicus die gevraagd was een bijdrage te leveren aan de plaat. In hetzelfde jaar maakte hij zijn debuut als filmcomponist toen hij de opdracht kreeg de soundtrack te maken bij Paul Verhoevens film ‘Turks fruit’. Bij de opname kon Rogier rekenen op de hulp van de Belgische mondharmonicavirtuoos Toots Thielemans.

Een moment van ontspanning tijdens de repetities van Music All-In: Rogier met Pim Jacobs (± 1975)

Van Otterloo: “Ik geloof dat Jan Wolkers graag had gehad dat Willem Breuker de muziek had gemaakt, maar de maker van de film bepaalt de keus van de medewerkers. Via de platenmaatschappij viel de keus op mij. Uiteraard stelde ik als voorwaarde dat ik de film eerst moest zien. Ik moet me kunnen inleven. Muziek moet stemmingen weergeven. Als ik het niet eens zou zijn met de film, als ik de stemming niet zou aanvoelen, zou het erg moeilijk zijn geweest.” 

In een ander gesprek met een krantenjournalist over de muziek bij 'Turks fruit' weidde Rogier uit over de keuzes die hij als filmcomponist had gemaakt: “In het boek wordt gerept van Cliff Richard, Charlie Parker en Miles Davis, maar als je die muziek achter de filmbeelden zet dateer je het eindproduct onnodig. (…) Ik vind sommige stukken erg goed, vooral omdat in de muziek de sfeer van de film goed overkomt. Na een paar seconden met alleen nog maar titeltjes en het harmonicaatje van Toots Thielemans, heb je de sfeer van ‘Turks fruit’ al helemaal kunnen proeven.”

In de resterende vijftien jaar van zijn leven schreef Rogier van Otterloo nog acht filmsoundtracks, waarvan het oorlogsepos ‘Soldaat van Oranje’ (1977) zonder meer de beroemdste is; het hoofdthema van deze film is tot de dag van vandaag zijn bekendste compositie. Tevens schreef Van Otterloo de muziek bij een handvol televisieseries en – hoewel hij zich er eigenlijk voor schaamde – ook behoorlijk wat reclamecampagnes, onder meer het bekende thema voor uitzendbureau Randstad.

In 1975 heeft Rogier de buik vol van zijn dienende rol als cross-overarrangeur voor John Vis en CBS; daarom maakt hij de overstap naar de concurrerende maatschappij Polydor, waar hij een lucratief contract tekent voor drie instrumentale soloalbums. Van de producer van Polydor, Cees Schrama, krijgt hij meer artistieke vrijheid dan hij bij CBS ooit gehad had. De eerste vrucht van de nieuwe samenwerking is ‘On the move’, een elpee die nog meer experimenteel klinkt dan ‘Visions’; de klank van het album verraadt dat Rogier ook geïnteresseerd geraakt is in Amerikaanse funk en fusionmuziek. ‘On the move’ wordt opgenomen met Engelse sessiemuzikanten in de CTS-studio’s. In Londen wordt Rogier op eigen verzoek vergezeld door geluidstechnicus Dick Bakker.

Bakker over de ochtend van de eerste opnamesessie: “Rogier stond daar gewoon in vrijetijdskleding. Hij liep tussen de lessenaars van de musici door om de bladmuziek uit te delen. Die jongens dachten dat hij een orkestassistent was. Toen hij op de bok klom, meenden ze dat die brutale vlegel hen in de maling nam, maar hun scepsis was vlug verdwenen. Al na de eerste prachtige intro waren ze gigantisch onder de indruk. Het was typisch voor Rogier dat hij daar in zijn dagelijkse kloffie rondliep. Zo verscheen hij eens op een begrafenis met een korte spijkerbroek vol rafels. “Zo, Rogier, ben je in de tuin bezig?”, vroeg iemand dan. Het kon eigenlijk niet, maar hij had daar lak aan. Uiterlijkheden zeiden hem niets.”

Tijdens de opnames van zijn solo-elpee 'On the move': CTS Studios, Londen

Ofschoon ‘On the move’ in muzikaal opzicht misschien Van Otterloo’s interessantste album was, sprak het niet tot de verbeelding van het publiek – de verkoopcijfers vielen tegen, en dat gold ook voor de beide follow-ups. In 1978 besloten Van Otterloo en de directie van Polydor met wederzijds goedvinden het contract niet te verlengen. Cees Schrama over die beslissing: “We hebben vierhonderdduizend gulden uitgegeven en daarvan hebben we misschien de helft kunnen terugverdienen. Je mag als artiest een aantal jaren experimenteren, maar op een gegeven moment moet er een stijgende lijn komen, anders moet je stoppen. Rogier heeft het mij nooit kwalijk genomen, maar hij heeft daarna nooit meer een echte platendeal kunnen maken. (…) Ik vind dat Rogier prachtige muziek heeft gemaakt, ook bij CBS. Maar de mooiste muziek heeft hij bij ons gemaakt, omdat het zijn eigen muziek was. Ik ben blij dat ik die hele periode mocht meemaken.”

In de twee volgende jaren werkte Van Otterloo opnieuw als freelancer, waarbij hij onder meer de arrangementen schreef van een album met Piaf-stukken voor Conny Vandenbos, terwijl hij links en rechts ook weer opdrachten aannam van zijn oude makker John Vis. Inmiddels echter was zijn focus enigszins verschoven – weg van de platenstudio en meer gericht op het schrijven van filmmuziek en het dirigeren van TV-orkesten. Al in 1970 had hij zijn debuut gemaakt als televisiedirigent in een muziekprogramma bij de AVRO. Twee jaar later kreeg Van Otterloo de opdracht een orkest van 46 man samen te stellen voor het jaarlijkse Grand Gala du Disque; in het prijzenshow dirigeerde hij optredens van nationale, maar ook internationale artiesten, onder wie Rod McKuen, Georges Moustaki en de Osmond Brothers.

Men had het de pas dertigjarige Rogier kunnen vergeven als hij zenuwen had gevoeld, maar dat was niet het geval, zo legde hij een jaar later uit in een kranteninterview: “Ik werk erg hard, maar waarschijnlijk niet harder dan dat jij of bijna iedereen werkt. Daarbij kan ik me erg goed ontspannen. Als ik voetbal of vis, mijn twee grote hobby’s, waar ik een fanaat in ben, vergeet ik alles. Toen ik vorig jaar het Grand Gala moest dirigeren, wat een geweldige opgave is – miljoenen mensen die kijken, een enorme stapel muziekstukken, waar je van denkt dat je er nooit doorheen komt – heb ik de nacht tevoren geen minuut wakker gelegen. Ik kan zoiets helemaal van me afzetten.”

Van 1972 tot 1977 was Rogier van Otterloo muzikaal leider van ‘Music All-In’, een live-muziekprogramma van de TROS met voornamelijk jazz, chanson en cross-overmuziek, geproduceerd door Ralph Inbar en gepresenteerd door Pim Jacobs. Elk seizoen werden negen afleveringen opgenomen. Inbar wist ook wereldsterren als Anita Kerr, Charles Aznavour en Ella Fitzgerald voor het programma naar Nederland te lokken. Afgezien van het dirigeren van het orkest schreef Van Otterloo ook een deel van de arrangementen zelf. Soms werden verschillende afleveringen van ‘Music All-In’ op één dag opgenomen. Met afgrijzen dacht hoornist Roel Koster terug aan het moordende werkschema dat de dirigent zijn orkest oplegde. “We begonnen ’s morgens om elf uur met de opnames en we eindigden om elf uur ’s avonds. Dat waren lange dagen. Een keer was het bloedheet, ongeveer veertig graden Celsius. Toen een van de strijkers klaagde over de temperatuur, was Rogier onverbiddelijk. Hij zei: “Zitten, anders hoef je niet meer terug te komen!”

In 1977 maakte Rogier van Otterloo zijn debuut als gastdirigent bij het Metropole Orkest. Intussen zat chef-dirigent Dolf van der Linden, die het orkest na de Tweede Wereldoorlog had opgericht, tegen zijn pensioen – en ook al omdat Van der Linden in 1976 ernstig ziek was geweest, begonnen de musici in zijn orkest onwillekeurig over de opvolging na te denken. Hoewel diegenen die Rogier zijn tegengekomen in het freelancecircuit weten dat hij beslist niet altijd de gemakkelijkste is, beseft met name de jongere generatie musici terdege dat het orkest hard toe is aan verse impulsen. Voor Dolf van der Linden echter was elke discussie over de toekomst van het orkest anathema; bovendien had hij geen hoge pet op van Van Otterloo. Zo meende Van der Linden dat hij niet over de vereiste dirigeertechniek beschikte. In een privégesprek met Jan Stulen, de dirigent van het in lichtklassiek repertoire gespecialiseerde Promenadeorkest, had Dolf geen goed woord over voor zijn gedoodverfde opvolger; volgens hem was Van Otterloo “een koekenbakker en een fietsenmaker".

Ernő Oláh, de concertmeester van het orkest, nuanceert: “Volgens mij was het niets persoonlijks. Diep van binnen wilde Dolf gewoon het liefst dat het Metropole Orkest met hem ten onder zou gaan. Wij, de jongelui in het orkest, waren het daar absoluut niet mee eens en hebben er alles aan gedaan om dat niet te laten gebeuren. Van alle kandidaten die de revue passeerden was Rogier de enige wiens talenten als componist en arrangeur ons weer de energie konden geven die we nodig hadden. Hij maakte de muziek die paste bij die tijd. Waar anderen alleen maar trends volgden, gaf hij de muzikale richting aan; iedereen liep achter hem aan. Als dirigent was Dolf geweldig, maar hij was ziek en kon niet zo veel meer; aan de andere kant had hij ook niet veel zin om talentvolle Nederlandse dirigenten een kans te geven. Over de opvolging moest je al helemaal niet beginnen. Uiteindelijk hebben we besloten Rogier achter Dolfs rug om te benaderen. Dolf heeft het me erg kwalijk genomen, maar er zat niets anders op.”

Repeteren voor een aflevering van Music All-In met Ella Fitzgerald (1976)

Was Rogier enthousiast over het vooruitzicht chef-dirigent van het Metropole Orkest te worden? Desgevraagd zijn vrouw Willy: “Nee, hij had er in eerste instantie niet zo veel zin in. Het orkest was een soort ouweherenclub geworden. Er werd elke dag gerepeteerd en opgenomen – en dan ging de opname de kast in en kwam ‘ie er nooit meer uit. Door Rogiers plaatopnames en filmmuziek was hij al behoorlijk bekend geworden, dus wat moet je dan bij zo’n ballroomorkest? Ernő en de andere jonge mensen hebben hem gesmeekt en gebeden; en uiteindelijk heeft Rogier het gedaan – ook al omdat hij besefte dat de oude garde binnenkort samen met Dolf met pensioen zou gaan. Er was de mogelijkheid het orkest weer op te stoten in de vaart der volkeren. Nee, ook achteraf heeft hij nooit spijt van zijn beslissing gehad. Het is erg goed uitgepakt allemaal.”

Officieel werd Rogier van Otterloo al in het najaar van 1979 benoemd als assistent-chef onder Dolf van der Linden, van wie hij het stokje in september van het volgende jaar definitief overnam. In zijn jaar als tweede man achter de oude meester wilde Van Otterloo graag met hem ideeën uitwisselen, maar daarvoor kreeg hij de kans niet. Ernő Oláh: “Rogier belde hem op, maar aan de andere kant werd de hoorn onmiddellijk op de haak gegooid. En een tweede keer opnieuw. Toen zei hij tegen mij: “Ik ga gewoon eens bij hem langs”. Ik raadde het hem af, want bij Dolf ging je niet zomaar even langs. Gezellig bomen onder het genot van een biertje was niets voor hem. Een ontzettend lieve man, maar wel wat afstandelijk. Rogier vond mij een zwartkijker en heeft aangebeld op de Taludweg [Dolfs huisadres in Hilversum]. Dolf deed de deur open en gooide die onmiddellijk weer dicht. Daarna heeft Rogier het opgegeven. Er was nooit iets voorgevallen tussen die twee, maar Dolf had gewoon tijd nodig – tijd om te verwerken dat hij zijn orkest aan een ander moest overlaten.”

In een groot interview in het Nieuwsblad van het Noorden ter gelegenheid van zijn aanstelling sprak Van Otterloo over zijn ambities: “Als ik met het Metropole Orkest een stuk speel, dan is die muziek nog nat van de inkt. Dat maakt het allemaal erg levend. Het is iets totaal anders dan voor de duizendste keer die symfonie van Beethoven spelen. (…) Ik zoek nieuwe, frisse, hippe stukken muziek, waarbij ik een voorkeur heb voor puur instrumentaal, maar dat kan natuurlijk niet altijd. En wat èrg belangrijk is voor een dirigent: zijn coach-functie, het inspireren en motiveren van het orkest. Muziek kan alleen goed worden gespeeld, als de muzikanten geloven bezig te zijn met het mooiste wat er op aarde bestaat.”

November 1980: de nieuwbakken chef-dirigent van het Metropole Orkest

Vanaf het prille begin lijkt Van Otterloo het orkest met een nieuw elan te kunnen bezielen – en bovendien slaagt hij er alleen al dankzij zijn reputatie in veel meer opdrachten voor radio- en televisieprogramma’s binnen te slepen dan in de voorgaande jaren het geval was geweest. Terwijl hij de samenwerking met Dolf van der Lindens sterarrangeurs Rob Pronk en Jerry van Rooyen voortzet, weet Van Otterloo ook buitenlandse topschrijvers aan zich te binden als Kenny Napper, Steve Gray en Bill Holman. In tegenstelling tot zijn voorganger, die in de laatste twintig jaar als chef nauwelijks nog composities of arrangementen had geschreven, kwam Van Otterloo geregeld met nieuwe stukken aanzetten. Enkele van de eerste voorbeelden daarvan waren zijn Eurovisie-ouverture (1980) en ‘Mistral’ (1981).

Ernő Oláh: “In de loop van die acht jaar met ons heeft hij dingen voor mij geschreven… dat was het walhalla! Er stond niet ‘solo viool’ boven geschreven, maar gewoon alleen ‘Ernő’. Het werd pasklaar voor ons geschreven. Daarom was het een glorietijd. Wij gingen net zolang door totdat het helemaal te gek was. Een solo wil jou iets vertellen. Als je gewoon speelt wat er op het muziekpapier staat, hartstikke mooi, maar dat doet je niks! Het moet je bij de nieren pakken en je als mens op een hoger plan brengen. Dat was het niveau dat je met Rogier kon bereiken.”

In zijn vernieuwingsdrang beperkt Van Otterloo zich niet tot het repertoire alleen; ook zet hij het door Van der Linden al ingezette werk voort om vers bloed in het orkest te brengen. In de eerste drie jaren van zijn dirigentschap verjongt hij zijn ploeg grotendeels. Bovendien wordt het orkest onder zijn leiding aanmerkelijk uitgebreid; in 1983, wanneer duidelijk wordt dat het Promenade Orkest zal worden opgeheven, overtuigt hij de omroepleiding ervan dat het Metropole juist uitbreiding nodig heeft in de strijkerssectie – en haalt op die gewiekste manier een groep van zo’n vijftien strijkers uit het Promenade Orkest binnen. Een volgende belangrijke innovatie betreft het opzetten van twee verschillende ritmegroepen, de eerste voor jazzprojecten, de andere voor popmuziek.

Niet Van Otterloo's favoriete genre: televisieoptreden met operetterepertoire door het Metropole Orkest met zangsolist Marco Bakker (vroege jaren '80)

“Dat begon met de komst van Jan Hollestelle op basgitaar”, aldus slagwerker Rob Meyn. “Eerst moest Rob Langereis dat allemaal doen, maar toen die zich enkele uren voor de live-uitzending van het Eurovisiesongfestival in Den Haag [in 1980] ziek meldde, werd Jan opgeroepen als vervanger… en die is niet meer weggegaan. Voortaan was Jan erbij voor opnames met popmuziek en Rob voor het jazzwerk. Later is ook nog gitarist Lex Bolderdijk erbij gehaald en Arno van Nieuwenhuize op drums. Zo kregen we een volwaardige popritmegroep. (…) Rogier veranderde niet alleen de bezetting, maar ook de manier van werken. Hij had veel meer repetitietijd nodig. Dolf schoof in zijn tijd vaak twee repetities in elkaar. Dan konden we om één uur al naar huis. Onder Rogier moest er harder worden gewerkt.”

Zoals Dolf van der Linden al had voorzien, zorgde Rogiers onorthodoxe, nogal fysieke dirigeerstijl af en toe voor problemen. Lichtklassieke stukken, zoals Van der Linden die decennialang had gedirigeerd, waren voor hem te hoog gegrepen. “Kijk, technisch bekeken was Dolf van der Linden de beste dirigent die we ooit hebben gehad”, stelt Ernő Oláh. “Daarbij moet je wel bedenken dat de variatie in repertoire in de tijd van Dolf veel minder groot was; zijn stijl paste bij de muziek die het Metropole Orkest in die tijd speelde. Hij heeft nooit wilde experimenten hoeven doen met rockgroepen, om maar wat te noemen. In die zin had Dolf het als dirigent redelijk eenvoudig gehad. Rogier was een fantastische componist en arrangeur, maar hij heeft tijd nodig gehad om zijn dirigeerstijl te ontwikkelen. Qua motoriek was hij was wat hoekig. Wij raakten na verloop van tijd goed op hem ingespeeld, maar een uitgesproken dirigent werd hij nooit.”

Onder Van Otterloo’s leiding verleende het Metropole Orkest medewerking aan een brede waaier omroepproducties, met symfonische jazz voor radioprogramma’s op de late avond aan de ene zijde van het spectrum tot aan chanson en rechttoe-rechtaan popmuziek. Hoewel hij zich bij pop nooit volkomen op zijn gemak voelde, liep Rogier er ook niet van weg; zo dirigeerde hij verschillende edities van het Nationaal Songfestival alsook de Gala of the Year-shows in Ahoy’ met Lee Towers en Anita Meyer. Zijn verplichtingen als dirigent lieten hem steeds minder tijd om nog te componeren. Dat zat hem niet altijd lekker, zo legde hij uit aan Henk Langerak van het AD: “Het fijnste zou zijn om een week of twintig, vijfentwintig te kunnen schrijven en een week of vijftien te dirigeren. Nu is het meer andersom. Ik sta nu, met gastoptredens voor andere orkesten meegeteld, een week of vijfendertig met die stok in mijn hand. Volgend seizoen hebben we drieëntwintig televisie-uitzendingen. Maar ik doe het niet tegen mijn zin hoor. Want dat orkest is fantastisch.”

Ernő Oláh's soloalbum 'Szféra' werd gearrangeerd en gedirigeerd door Rogier van Otterloo (1985)

Kort na de jaarwisseling van 1983 krijgt Van Otterloo te kampen met ademhalingsproblemen. Helaas blijkt er geen sprake van een verwaarloosde longontsteking, zoals eerst wordt vermoed, maar gaat het om een kwaadaardige longtumor. Na een succesvolle operatie en een herstelperiode van enkele maanden is hij weer klaar om aan het werk te gaan, maar drie jaar later blijkt de ziekte te zijn teruggekeerd – en nu is er geen weg terug. Dit keer moet Van Otterloo zich gedurende veel langere periodes laten vervangen; in zijn plaats staan onder meer Jan Stulen, Jerry van Rooyen en Harry van Hoof voor het orkest. Ondanks de langdurige absenties zijn de meeste orkestleden er niet van op de hoogte dat het om een ernstige vorm van longvlieskanker gaat.

“Er was helemaal geen sprake van dat het einde in zicht was”, herinnert fluitiste Friederike Darius zich. “Het was allemaal een beetje geheimzinnig. Rogier wilde niet opgeven. Hij zat ziek thuis, maar tot het laatst was er de hoop dat hij zou terugkomen. Hoe konden wij dan op zoek naar een nieuwe dirigent? Rogier was nog een jonge vent. Hij zat nog vol plannen.”

Op 29 januari 1988 overlijdt Rogier van Otterloo op 46-jarige leeftijd. Drie maanden later werd hem postuum de Edison Award toegekend voor het album ‘My romance’, dat hij had opgenomen met het Metropole Orkest en solisten Greetje Kauffeld, Ack van Rooyen, Herman Schoonderwalt en Eef Albers. De prijs was weinig meer dan een doekje voor het bloeden voor de orkestmusici; zij zijn radeloos. “Het was een enorme knal toen hij overleed”, zo herinnert hoornist Roel Koster zich. “Iedereen was verlamd. Niemand wist meer wat we moesten doen. Ik was half twee thuis van de begrafenis. Van half twee tot half zes heb ik alleen maar ‘Go on forever’, zijn arrangement van ‘We zullen doorgaan’, gedraaid. Hoe moest dit orkest doorgaan? Hoe moesten we verder zonder die man?"

Uiteindelijk duurt de zoektocht naar een nieuwe chef-dirigent meer dan drie jaar. Gedurende een deel van die periode nam Jerry van Rooyen ad interim de positie waar. In 1991, toen de NOS op het punt stond het Metropole Orkest op te doeken, kreeg ten langen leste Dick Bakker het aanbod om het ensemble onder zijn hoede te nemen: “Ik – en met mij velen uit de business – was hoog verbaasd dat Rogier die baan bij het Metropole Orkest accepteerde in 1979", herinnert Bakker zich. "Tot die tijd had hij er altijd op afgegeven. Hij vond het helemaal niets. En een vast dienstverband bij de omroep – in onze ogen was er weinig suffers dan dat. Tja, het kan soms raar lopen. Twaalf jaar later was die baan van mij...”

Rogier van Otterloo en het Eurovisiesongfestival

Rogier van Otterloo was muzikaal eindverantwoordelijke van het Eurovisiesongfestival van 1980, dat in Den Haag werd gehouden. Bovendien dirigeerde hij tussen 1980 en 1987 vijfmaal de Nederlandse festivalbijdrage. Hieronder wordt uitgebreid stilgestaan bij Van Otterloo's betrokkenheid bij het songfestival met citaten uit krantenartikelen en getuigenissen van betrokken artiesten en musici.

Nadat Israël in 1979 het Eurovisiesongfestival voor het tweede jaar op rij had gewonnen, besloot het land af te zien van een nieuwe organisatie van het muziekfestijn. Daarop verzocht de Europese Omroepunie (EBU) Nederland de honneurs waar te nemen. Zo werd het festival van 1980 gehouden in Den Haag, in hetzelfde Scheveningse Congresgebouw waar de wedstrijd vier jaar voordien ook al plaatsgevonden had. Hoewel Dolf van der Linden strikt genomen nog steeds chef-dirigent van het Metropole Orkest was – zijn pensioen stond op de rol voor september 1980, een half jaar na het songfestival –, was hij niet bij het gebeuren betrokken. Nadat hij in 1972 als vaste Nederlandse songfestivaldirigent aan de kant was geschoven ten faveure van Harry van Hoof, wilde hij er helemaal niets meer mee te maken hebben. Zelfs in het internationale festival van 1976 liet hij zijn plek op de bok aan een ander, in dit geval de dirigent van het Promenadeorkest, Jan Stulen.

Daarom kwam de NOS voor het chef-dirigentschap van het Eurovisiesongfestival in 1980 vanzelf bij Rogier van Otterloo uit, die juist benoemd was als Van der Lindens assistent en beoogd opvolger. Voor Van Otterloo betekende het feitelijk de eerste kans zich in zijn nieuwe rol te bewijzen. Op de vraag van een journalist of zo'n festival hem wel aanstond, antwoordde hij: “Ja, maar dat is een zware job, vergis je niet. Dat is tien dagen achtereen door repeteren en met niet altijd even fijne muziek. Maar je staat er toch voor een half miljard kijkers. En, we spelen een vorstelijke ouverture. Bovendien moet het orkest spelen met verschillende dirigenten [van de andere deelnemende landen], en je hebt er wat vreemde hekkenspringers bij.”

Geconfronteerd met de laatste zin in het bovenstaande citaat, barst concertmeester Ernő Oláh in lachen uit: “Tja, soms waren er pure amateurs bij. Het Metropole Orkest was natuurlijk waanzinnig professioneel met Dolf en Rogier als vaandeldragers. Dat waren keien in hun vak… en dan kwamen daar bij de repetities voor het songfestival ineens componisten of plaatarrangeurs die niet gewend waren voor zo’n orkest te staan. Het kon lastige situaties opleveren; soms moesten wij met het orkest de dirigent aansturen in plaats van andersom. Van tevoren had ik het daar met Rogier wel over gehad. Rogier was niet zo tactisch, terwijl ik ook buiten het songfestival om vaak met gastdirigenten te maken had. Ik was wat meer gewend te schipperen. We spraken af dat ik naar ze toe zou gaan, mochten er problemen rijzen. Je moest ze even in een onderonsje te spreken krijgen: “Als je dat zus of zo doet, hebben we er meer aan en kunnen we het beter volgen.” Rogier was wel prominent aanwezig tijdens de repetities hoor, maar meer als supervisor. Hij heette de gastdirigenten welkom en vroeg ze of alles in orde was. Natuurlijk was het songfestival niet Rogiers favoriete programma, maar hij nam het wel degelijk serieus. Net als de musici wilde hij gewoon met het orkest zo goed mogelijk voor de dag komen.”

Afgezien van zijn rol als gastheer van de dirigenten van de diverse deelnemende delegaties, viel ook de taak om de Nederlandse bijdrage te dirigeren Van Otterloo toe; Nederland werd vertegenwoordigd door Maggie MacNeal met het liedje ‘Amsterdam’. Persoonlijk benaderde Rogier Dick Bakker om er de orkestpartijen bij te schrijven. “Rogier was niet wild enthousiast over het liedje”, aldus Dick. “Er zat een lelijke overgang in naar een andere toonaard. Hij vroeg zich af of ik iets met dat nummer kon. Vanwege de tekst besloot ik de stad Amsterdam als uitgangspunt te nemen; er moest een geluid in komen dat bij Amsterdam past. Zodoende kwam ik op het idee er iets in de draaiorgelsfeer aan toe te voegen. Voor het draaiorgelgeluid in de refreintjes gebruikte ik een elektrisch orgeltje. Dat orgel was meteen mijn oplossing voor de wat vreemd geschreven modulatie waar Rogier geen gat in had gezien. Het leverde een wat natuurlijker overgang op.”

Maggie MacNeal tijdens haar optreden bij het Eurovisiesongfestival van 1980 in het Haagse Congresgebouw

Zelfs veertig jaar na dato kan zangeres Maggie MacNeal (of Sjoukje van ’t Spijker, zoals ze in werkelijkheid heet) nog enthousiast worden wanneer haar gevraagd wordt naar het arrangement: “Ja, geweldig, hoe kom je erop! Het was uniek hoe Dick die draaiorgelriedel ertussendoor heeft gefiedeld. Ook die modulatie was echt subliem! Verder was het een stuk dat zich gemakkelijk liet arrangeren. Gewoonlijk schreef ik de arrangementen bij mijn liedjes zelf samen met mijn man [drummer Frans Smit] en de rest van mijn begeleidingsband, maar zo’n songfestival was me iets te groot en te officieel, dus ik was blij dat het bij een professional als Dick Bakker is beland. Tijdens de repetities in Den Haag was hij er ook bij om te zien of het geluid goed was.”

Gevraagd naar de repetities met Van Otterloo en het Metropole Orkest, stelt Maggie: “Eerlijk gezegd had ik niet zo’n contact met Rogier. Naar mijn idee was hij qua karakter wat afstandelijk. Toen ik in 1974 met Willem Duyn op het songfestival stond, had ik met Harry van Hoof als dirigent te maken gehad. Harry was veel relaxter, gewoon one of the guys, snap je? Rogier was niet zo’n snelle jongen. Daarnaast vond hij het niks dat we van steunbanden gebruik maakten. Hij zou het wel alleen doen met het orkest; die muzikanten op het podium achter mij konden wat hem betreft wel naar huis. Frans, mijn man, heeft het toen voor de jongens van de band opgenomen. Het kan dat Rogier wat gespannen was, maar achteraf bezien denk ik dat het songfestival ook niet helemaal zijn ding was. Al die huppeltruttenliedjes en la-la-la… ik wil niet zeggen dat hij erop neerkeek, maar ik had de indruk dat hij met heel andere muziek bezig was. Hij gaf ons het gevoel dat hij van een hoger kaliber was. Begrijp me niet verkeerd, als componist was hij top; die ouverture van het festival was pure kunst. Verder heeft hij ons lied ook fantastisch gedaan – het intro en outro, alles. Mijn nummer stond als een huis.”

In de puntentelling, waarin Ierland met Johnny Logan als winnaar kwam bovendrijven, eindigde ‘Amsterdam’ op een respectabele vijfde plaats. Voor Rogier van Otterloo was daarmee een stressvolle dag voorbij; slechts enkele uren voor het begin van het programma werd hij namelijk met een acuut probleem geconfronteerd. Bassist Rob Langereis, als jazzmusicus uitstekend maar minder op zijn plek bij popprogramma’s, meldde zich ziek. Op stel en sprong moest er een vervanger komen – en de man die uiteindelijk gevonden werd, Jan Hollestelle, beviel zo goed dat hij bij het orkest is gebleven. Hollestelle was daarmee het eerste lid van wat later zou uitgroeien tot de Metropole-popritmesectie, die door Van Otterloo in de volgende jaren vakkundig samengesteld werd. Voortaan had het orkest twee ritmegroepen: één voor popproducties, de andere – bestaande uit de musici die al bij het orkest zaten – voor meer jazzgerichte programma’s. Na het festival werd Van Otterloo in krantenrecensies geprezen om de manier waarop hij en zijn orkest zich op het internationale podium van hun taak gekweten hadden. De Telegraaf had speciale lof over voor zijn zelfgeschreven ouverture.

“Het was ook een flitsend stuk”, meent concertmeester Ernő Oláh. “Toen Rogier de opdracht kreeg die ouverture te schrijven, hebben we er met zijn tweeën veel over gesproken. In heel veel van zijn eerdere composities hoorde je rustige strijkers; het vuurwerk kwam meestal van het koper. Zijn strijkersarrangementen bestonden meestal uit lange noten – een warme deken van violen, heel mooi, maar niet meer dan dat; een heel klein loopje, een beetje met de melodie meespelen en dat was het. Voetbalnoten noemden we die! De strijkersgroep van het orkest was daar niet tevreden over, want we konden veel meer dan datgene waarvoor we gebruikt werden. Daarom heb ik Rogier aangespoord meer emotie in zijn strijkersarrangementen te stoppen. Bij Dolf van der Linden had ik dat nooit hoeven zeggen, want die schreef wel ontzettend druk voor de strijkers, heel Amerikaans qua benadering. Toen Rogier hem opvolgde, heb ik hem wat uitgedaagd om ons nu eens wat meer te doen te geven. In die ouverture hoor je gewoon de drukte… met loopjes en figuurtjes in de strijkers. Dat maakte de orkestklank als geheel veel voller.”

Een buiging naar de camera bij het songfestival van 1980

In 1981 besloot de NOS, ondanks de succesvolle intern verlopen procedure waaruit het jaar ervoor ‘Amsterdam’ was gerold, toch weer een Nationaal Songfestival te organiseren om tot de keuze van de Nederlandse Eurovisiebijdrage te komen; tien liedjes werden uitgekozen, vertolkt door vijf artiesten. Negen van de bijdrages werden begeleid door Van Otterloo en zijn orkest, maar tot afgrijzen van de dirigent werd juist het Op Volle Toeren-achtige meezingertje ‘Het is een wonder’ tot winnaar gekozen, het enige liedje zonder orkestbegeleiding. De uitvoerende, een tot dan toe onbekende zangeres met de artiestennaam Linda Williams, werd slechts begeleid door een eigen bandje van vijf muzikanten, onder wie Francis Goya op gitaar. 

Bij het Nationaal Songfestival in Rotterdam nam ook Dick Bakker deel met een compositie. Achter de coulissen maakte Bakker mee hoe Van Otterloo reageerde toen het winnende lied bekend werd gemaakt. “Daar heb ik backstage nog wel om gelachen”, aldus Dick. “Toen de uitslag bekend werd, gooide Rogier uit pure woede zijn hele pak met arrangementen op de grond en riep: “Het is een schande!

Aanvankelijk vond het productieteam achter ‘Het is een wonder’ het weinig zinvol alsnog een orkestarrangement aan het lied toe te voegen voor de internationale finale in Ierland; echter, onder het mom dat het gebruik van het orkest verplicht was bij het Eurovisiesongfestival – wat niet waar was, want in de twee voorgaande edities hadden liedjes uit Italië en België deelgenomen met een volledige backingtrack die door musici op het podium werd geplaybackt – wist de NOS het toch zo ver te krijgen dat een strijkersarrangement werd toegevoegd. Producer Bart van de Laar overhandigde de orkestpartij, geschreven door diens arrangeur John Sluszny, aan Rogier van Otterloo bij aankomst in het hotel in Dublin.

Overbodig te vermelden dat Van Otterloo niet de vrolijkste van de festivalgangers was – en hij maakte van zijn hart geen moordkuil. In een interview dat hij tussen de repetities door aan een Nederlands dagblad gaf, stelde hij: “In feite ben ik alleen maar meegekomen om vijfentwintig strijkers te dirigeren. Ik vind dat de reglementen moeten worden gewijzigd dat de deelnemers geen gebruik meer mogen maken van bandjes. Ik kan mij voorstellen dat een artiest die ergens in een zaaltje in de provincie gaat optreden, gebruik maakt van dergelijke faciliteiten maar je hebt hier toch te maken met een gerenommeerd Iers orkest dat aan alle muzikale wensen kan voldoen.”

Linda Williams poseert voor de fotografen na haar overwinning bij het Nationaal Songfestival 1981 met songwriter Cees de Wit (links) en producer Bart van de Laar

In Dublin werd Rogier vergezeld door zijn echtgenote Willy. “We vonden het allebei een tamelijk onnozel liedje", zo herinnert ze zich. "Voordat we naar Ierland gingen, zaten we ons aan de keukentafel te bescheuren om het zeurderige refreintje. Tot overmaat van ramp werd Rogier kort na aankomst in Dublin ziek. Pijn in zijn borst en longen. Misschien waren het de eerste symptomen van zijn longkanker? Hoe het ook zij, we hebben van het songfestival niet zo veel meegemaakt, want hij was behoorlijk beroerd – repeteren en terug naar het hotel, daar kwam het op neer.”

In weerwil van Van Otterloo’s chagrijn deed ‘Het is een wonder’ het helemaal niet zo slecht bij de internationale jury’s: met 51 punten werd het liedje negende van de twintig deelnemende bijdrages. Wanneer men de liveversie van ‘Het is een wonder’ terugluistert, is Van Otterloo’s indruk dat hij overbodig was, zeer begrijpelijk; mede omdat het orkest in de geluidsmix erg laag wordt gezet, blijft het geluid van de strijkers zelfs vrijwel onhoorbaar. Enkele maanden later, toen Van Otterloo bij een feestje ter ere van Rita Reys werd geïnterviewd door Henk van der Meyden van De Telegraaf, was hij nog steeds verontwaardigd over zijn meest recente festivalervaring:

“Wat er vorig jaar gebeurde met het liedje ‘Het is een wonder’, gezongen door Linda Williams, is toch bedroevend. Linda is best een aardige zangeres, maar als dirigent op dit songfestival schaamde ik me toch voor het liedje. Het was totaal niet origineel. Alle creativiteit was zoek. En het allerergste vind ik dat men totaal niet had geprobeerd iets geheel nieuws te maken. Zo gaat dat nu al jaren bij onze songfestivalliedjes. Men maakt maar liedjes die ergens op lijken, omdat men dan denkt dat men – en helaas is het zo – makkelijker wordt gekozen. Maar ik vind dat je op het Eurovisiesongfestival beter laatste kunt zijn met een origineel lied dan op de zevende plaatse te komen met een liedje waarvan er dertien in een dozijn gaan. Als dirigent en muzikant kan ik me met dit soort liedjes niet meer verenigen. Ik kan er ook niet meer achter staan. Mijn voorstel is nu dus ook, en ik hoop dat de Werkgroep Amusement daar akkoord mee gaat, dat er op creativiteit en originaliteit gelet wordt bij de inzendingen, zodat Nederland in ieder geval met iets ‘heel nieuws’ meedoet. Als dat niet gebeurt, en er weer zo’n slecht liedje wordt uitgekozen, kan ik daar niet meer achter staan en zal ik me terugtrekken als dirigent. Ik kan het niet meer opbrengen zo’n liedje te begeleiden op het Eurovisiesongfestival.”

Een ongemakkelijke glimlach: Rogier met Linda Williams en commentator Pim Jacobs: Dublin, Eurovisiesongfestival 1981

Op de omroepburelen werd Van Otterloo’s verzuchting niet genegeerd. Voor het Nationaal Songfestival van 1982 werd hij opgenomen in een selectiecommissie die verder onder meer uit zijn vrienden Pim en Ruud Jacobs bestond. Dit gezelschap weerhield drie liedjes voor de nationale finale; vervolgens was het plan om een nieuwe jury de uiteindelijke keuze te laten maken. Men kwam met een origineel idee op de proppen: deze tweede jury moest bestaan uit zeven dirigenten die namens andere deelnemende landen het festivalorkest zouden leiden. Uiteindelijk bleek het lastig dit ten uitvoer te brengen, waarop een zevenkoppige jury werd samengesteld van professionals uit de vaderlandse muziek- en showbizzwereld. Tegen verwachting won niet de huizenhoge favoriet ‘Fantasy Island’, maar een retromelodietje in Gilbert O’Sullivan-stijl: ‘Jij en ik’, een compositie van Dick Bakker op tekst van chansonnière Liselore Gerritsen; Liselore was de vrouw van Ruud Jacobs.

Volgens Piet Souer, één van de songwriters van het up-tempostampertje ‘Fantasy Island’, drukte Rogier van Otterloo nadrukkelijk zijn stempel op de einduitslag: “Dat jaar was men er heel erg om bekommerd om te selecteren op kwaliteit – wat dat dan ook mocht zijn. Om die reden vond men het een pre dat de tekst van ‘Jij en ik’ door Liselore Gerritsen was geschreven. Omdat daarnaast Rogier van Otterloo ook zijn voorkeur voor dat lied had uitgesproken, is het komen bovendrijven, zo vermoed ik. In de vakjury zaten allerlei mensen die close waren met Rogier, dus feitelijk was er sprake van een stemadvies van zijn kant. Ik wil daarmee geen oordeel vellen over de artistieke waarde van ‘Jij en ik’, maar van tevoren voelde ik intuïtief wel aan dat de kansen ervan in een internationaal veld minimaal zouden zijn.”

Vervolgens werd acteur en musicalzanger Bill van Dijk uitgekozen om ‘Jij en ik’ uit te voeren. “In eerste instantie heeft Tonny Eyk mij benaderd”, zo herinnert hij zich. “Later pas hoorde ik dat ze eerst Dave en Rob de Nijs hadden gevraagd. Toen die afzegden, hebben Tonny en Rogier aan mijn naam gedacht. Ver voor het Eurovisiesongfestival zong ik al regelmatig met het Metropole Orkest. Die samenwerking was altijd fijn verlopen. In eerste instantie was ik niet overenthousiast om het songfestival te doen. Eigenlijk wist ik er voor die tijd niet zo veel van. Toen hebben Tonny en Rogier mij waarschijnlijk overgehaald toch mee te doen. Volgens Rogier was het een kans voor mij om bij een groter publiek bekendheid te verkrijgen.”

Na zijn zege bij het Nationaal Songfestival tekende Bill van Dijk een contract bij platenmaatschappij Utopia; daar wees men de opdracht om de studioversie van ‘Jij en ik’ op te nemen toe aan hun producer… Piet Souer. Vanaf dat moment leken Bill van Dijk noch Rogier van Otterloo nog enige invloed te kunnen uitoefenen op het eindproduct. Zelfs componist Dick Bakker, die wel aanwezig was bij de plaatopname, hield zich afzijdig. “Al voordat ze met opnemen begonnen, voelde ik welke kant het uit zou gaan”, vertelt hij. “Piet en de technici waren wel een kwartier bezig om de bass drum in te stellen. Toek-toek, zo klonk het. Een meedogenloze, snoeiharde popbeat. Daarmee kwam het allemaal erg ver af te staan van mijn oorspronkelijke idee, maar Piet is een capabele vent. Ik vermoedde dat hij wel eens gelijk zou kunnen hebben dat het liedje in mijn arrangement wel erg oubollig was.”

Dick Bakker (geheel links) en Liselore Gerritsen (geheel rechts) met Bill van Dijk en diens vrouw Marjan Kater na de overwinning bij het Nationaal Songfestival van 1982

Terugkijkend voelt Bill van Dijk minder behoefte dan de songwriter om zijn woorden op een goudschaaltje te wegen: “Utopia was een schurkenplatenmaatschappij. Men was er bij hen van uitgegaan dat ‘Fantasy Island’ zou winnen – en toen dat niet gebeurde en ze met mijn liedje zaten opgescheept, hebben ze besloten alles om te gooien. “Dit was niet goed, dat was niet goed, het was ouderwets”, enzovoort. Ik was daar faliekant op tegen, maar had blijkbaar niets te zeggen in het geheel. Van de sfeer die het lied bij het Nationaal Songfestival uitstraalde, bleef niets meer over. Tja, dat was geen feest. Rogier en ik vonden de ‘nieuwe’ versie allebei minder dan het origineel.”

Ondanks al zijn inzet om de kwaliteit van de Nederlandse bijdrage omhoog te krijgen stond Rogier van Otterloo in 1982 op het Eurovisiesongfestival in Harrogate precies datgene te doen waarover hij zich het vorige jaar zo had opgewonden: in het nieuwe arrangement hoefde hij alleen de strijkersgroep van het festivalorkest te dirigeren. Wederom kwam de rest van de muziek van een steunband, die in de reglementen van het songfestival nog steeds waren toegestaan. Dit keer hield Van Otterloo zich stil ten overstaan van het aanwezige Nederlandse journaille; getuige de verhalen van andere leden van de Nederlandse delegatie in Noord-Engeland leek zich bij het onvermijdelijke te hebben neergelegd en vooral te willen genieten van een paar ontspannen dagen in het gezelschap van vrienden.

Songwriter Dick Bakker was zo’n goede vriend. “Als producer was Piet [Souer] de eerst aangewezene om bij de repetities het voortouw te nemen,” zo stelt Bakker, “dus ik heb me daar verder niet zo erg mee bemoeid. Het was een erg gezellige week. Met Liselore en Ruud Jacobs hebben mijn vrouw en ik daar een paar fijne vakantiedagen gehad. Rogier van Otterloo was er ook bij met zijn vrouw Willy, dus dat werd heel gezellig. Intussen zag ik het op de repetities een kant uitgaan waarmee ik eigenlijk weinig meer te maken wilde hebben. Dat tenenkrommende ballet van Bill van Dijk met zijn achtergrondkoor – heel erg”.

Intussen stond de arme Bill van Dijk er alleen voor: “Met die choreografie was ik ook niet blij! Die was niet mijn idee. Tot overmaat van ramp bleek bij aankomst in Engeland het podium te klein voor de pasjes die we hadden ingestudeerd – dus konden we weer op nul beginnen. Mijn vrouw moest zelf op zoek naar een choreograaf. Zo’n festival is een strakke machine en we kregen maar weinig tijd om te repeteren. Het productieteam van de NOS kwam een paar dagen later pas aan, maar die zijn meteen gaan tennissen en feesten… en ik heb ze niet meer gezien. Het was niet de schuld van Rogier; hij deed zijn werk met het orkest verder naar behoren. In een onderonsje met hem spraken we af om na het festival een special te doen met het Metropole Orkest, maar helaas werd Rogier al snel ziek. Van dat programma is nooit meer iets gekomen. Ik wil benadrukken dat Rogier een bijzonder getalenteerde en aardige man was; de samenwerking met hem was altijd aangenaam.”

Bill van Dijk tijdens de repetities van het songfestival in Harrogate met zijn backinggroep, de Utopians, van links naar rechts: Anita Dekker (keyboards), Laetitia Dekker (drums), Lisa Boray, Jody Pijper (gitaar) en Wanda Stellaard (keyboards)

In de Eurovisiefinale deed ‘Jij en ik’ het bijzonder slecht met slechts acht jurypunten en een op-twee-na laatste plaats. Nu Van Otterloo de kans had gekregen de keuze van de Nederlandse bijdrage behoorlijk te beïnvloeden – en helaas zonder veel succes in artistiek opzicht of qua resultaat –, namen anderen het heft weer in handen. Terwijl in 1982 door de omroep artiesten waren aangezocht voor het Nationaal Songfestival, werd bij de volgende editie de macht weer bij de platenindustrie gelegd. ’s Lands meest succesvolle platenproducers kregen het verzoek om met complete acts te komen voor de nationale finale. Met de nieuwe benadering hoopte de NOS “een doorbraak naar nieuw talent” te bewerkstelligen. Het klonk als het diametraal tegenovergestelde van datgene waarvoor Van Otterloo zo gestreden had.

Uiteindelijk had Rogier van Otterloo überhaupt geen rol in het Nationaal Songfestival van 1983 – niet vanwege bezwaren tegen de gekozen formule, maar ten gevolge van ziekte. Omdat longkanker bij hem werd vastgesteld, moest hij een maandenlange behandeling ondergaan, die uiteindelijk succesvol bleek. Echter, eerder dan de vroege zomer van dat jaar kon hij zijn werkzaamheden niet hervatten. Gedurende de maanden van zijn afwezigheid werd hij vervangen door diverse gastdirigenten. In het geval van de voorronde van het songfestival viel de keuze op Ruud Bos, een ervaren componist en arrangeur die in die jaren geregeld met het orkest werkte.

De songfestivalvoorronde van 1983 was geen vrolijke bedoening voor het Metropole Orkest; niet alleen moest het ensemble aantreden zonder zijn chef, ook bleek dat vrijwel alle deelnemende artiesten gebruik maakten van uitgebreide steunbanden. Tijdens de repetities barstte de bom; Metropole-drummer Evert Overweg weigerde zijn plaats af te staan ten faveure van een lid van één van de deelnemende groepen die de percussie op het podium playbackte. Buiten medeweten van de productieploeg van de NOS hadden de orkestmusici enkele weken voorafgaand aan het programma onderling besloten voortaan te weigeren medewerking te verlenen aan optredens met backing tracks of aanvullende instrumentalisten. Songwriters en producers die aan de nationale finale meededen waren laaiend en eisten dat er een vervangend orkest zou worden ingeschakeld; hoewel hun ongenoegen werd gedeeld door Harry Hagedoorn, Chef Amusement van de NOS, legde deze uit dat het niet mogelijk was een compleet orkest te vervangen in een tijdspanne van slechts vier of vijf dagen. Uiteindelijk speelde het Metropole Orkest alleen de ouverture, twee medleys en de finale, terwijl alle liedjes in de competitie werden uitgevoerd met een complete playback tape. Presentator Ivo Niehe had geen goed woord over voor de opstelling van het orkest – en toen hij dat ook op het podium verwoordde, kreeg hij applaus uit de zaal.

Van Otterloo’s vervanger Ruud Bos was weinig meer dan een toeschouwer in het geheel, zo legt hij uit in een kranteninterview: “Ik wist van niets toen ik Overweg vroeg of hij voor één nummer plaats wilde maken. Wat al jaren sluimert, is nu tot uitbarsting gekomen. Het is onzin om bij dit soort manifestaties automatisch het Metropole Orkest te vragen. Een kleiner orkest van freelancers is vast handzamer en zeker wat de producers willen. Ik denk dat door deze rel het Metropole Orkest voor de laatste keer aan het songfestival meewerkte. Ik vind dat het orkest door het songfestival toch al in commerciële richting werd gedwongen.”

Na haar zege bij het Nationaal Songfestival wordt Bernadette Kraakman op het podium geïnterviewd door presentator Ivo Niehe (1983)

Gevraagd naar zijn mening over de opstelling van de orkestmusici stelde Bos: “Het [Metropole Orkest] is als orkest gehuurd en wil als orkest spelen, zonder banden en zonder vervangende muzikanten. Het Metropole Orkest heeft juist onder Rogier van Otterloo een opleving gekend door jonge muzikanten die zich terecht in staat achten alles te kunnen spelen.”

Op het Eurovisie Songfestival van dat jaar in München dirigeerde niet Ruud Bos de Nederlandse bijdrage ‘Sing me a song’, maar producer Piet Souer – de enige keer in de festivalgeschiedenis dat een Nederlandse bijdrage door één van de componisten werd gedirigeerd. 

Zoals in het jaar erop bleek, kwam Ruud Bos’ pessimistische voorspelling niet uit; voor het Nationaal Songfestival werd het Metropole Orkest als vanouds ingeschakeld – en een weer volledig herstelde Rogier van Otterloo was terug als muzikaal leider. Voor de voorronde van 1984 werden alle arrangementen van tevoren opgenomen, omdat het programmabudget niet voorzag in een live-orkest op het podium tijdens de televisie-uitzending. Pluspunt was echter dat het orkest zich geen aanvullende ritmebanden hoefde te laten welgevallen. Als winnaar kwam ‘Ik hou van jou’ naar voren, een ballade met een arrangement van Dick Bakker, uitgevoerd door de charmante Volendamse zangeres Maribelle.

Maribelle herinnert zich nog goed de opnames van het orkestarrangement bij ‘Ik hou van jou’ door het Metropole Orkest, voorafgaand aan de nationale finale: “In die studio in Hilversum mocht ik gewoon voor het orkest zitten. Weet je, als je dan voor zo’n compleet orkest zit – met Rogier ervoor, zo’n orkest met pauken en die hele sound om je heen… dat was zo verschrikkelijk mooi; tja, ik weet niet hoe de hemel eruitziet, maar het was net alsof je zweefde. Na het winnen van de voorronde hebben we de single opgenomen in Londen met het London Philharmonic, één van de beste orkesten ter wereld. Toen is Dick Bakker meegegaan, omdat hij de arrangeur was. Meer dan twee takes had hij niet nodig, toen was het al voortreffelijk.”

Maribelle tijdens haar optreden bij het Nationaal Songfestival van 1984

Gezien de aard van het liedje vonden producers Peter van Asten en Richard de Bois een backing track niet nodig voor de Eurovisiefinale in Luxemburg; als één van de weinige deelnemende dirigenten in het festival mocht Rogier van Otterloo dan ook het volledige festivalorkest leiden. Weinig verrassend kozen de orkestmusici in Luxemburg ‘Ik hou van jou’ unaniem als hun favoriet. “Met dit lied konden de violisten voluit spelen en ze konden zelfs horen wat ze speelden. Bij geen van de andere liedjes was dit het geval. Na de generale repetitie ontving Rogier van Otterloo een spontaan applaus van het orkest. Een unicum”, noteerde Roelfien Sant namens Het Parool. Desalniettemin verliepen de repetities niet volledig probleemloos. Het tempo van het liedje moest precies goed zijn om binnen de limiet van drie minuten te kunnen blijven.

“… en er was nog een probleem met de basgitarist in het orkest”, vult Maribelle aan. “Mijn toenmalige echtgenoot Jan, die zelf gitarist was, hoorde dat hij steeds één noot verkeerd speelde. Jan meldde dat bij Rogier, die hem complimenteerde dat hij dat had opgemerkt; vervolgens besprak hij het meteen besprak met de basgitarist. Voor de rest verliep alles perfect. De sfeer in onze delegatie was ook echt leuk. Rogier lachte volop en vertelde iedereen die het horen wilde dat hij het ook een prachtig lied vond. Afstandelijk was hij helemaal niet, nee hoor! Hij gaf me het gevoel dat hij er echt voor mij was. Het was wel irritant en onpersoonlijk dat het orkest in een bak zat onder het podium. Ik kon Rogier dus niet zien en dat was niet zo prettig. Ik had hem liever met het hele orkest bij mij op het podium gehad.”

Spijtig genoeg weet ‘Ik hou van jou’ geen verpletterende indruk achter te laten bij de internationale jury’s, die in plaats daarvan kiezen voor een eendimensionale rampestamper uit Zweden. Maribelle eindigt als dertiende. Na het festival laat Van Otterloo optekenen: “Deze uitslag bewijst weer eens dat je als artiest op een dergelijk festival vogelvrij bent. Het is goed om je dat steeds goed te realiseren, anders moet je er niet aan beginnen."

Ondanks de teleurstellende score laat Maribelle de moed niet zakken. Na de puntentelling grijpt de montere zangeres Rogier van Otterloo bij zijn armen en verlaat al dansend, arm in arm met hem, het auditorium. “Ik vond het al geweldig om mee te doen”, legt ze uit. “Duitsland eindigde samen met mij op de dertiende plaats, maar die verlieten al tijdens de telling de zaal, want dat vonden ze heul erg! Wat maakte mij het uit? Ik kon er toch niks aan doen. Ik had een ontzettend leuke tijd gehad – en het arrangement was van wereldklasse. Helaas heb ik niet meer met Rogier gewerkt na het festival in Luxemburg. Terugkijkend is het toch wel bijzonder geweest met hem als dirigent naar het Eurovisiesongfestival te zijn gegaan.”

Rogier van Otterloo met Maribelle na één van de repetitie bij het internationale songfestival in het Nouveau Théâtre, Luxemburg

Bij de volgende twee edities van het Eurovisiesongfestival was Rogier van Otterloo niet betrokken: in 1985 nam Nederland voor het eerst geen deel omdat het festival samenviel met de Dodenherdenking op 4 mei. Een jaar later was het rood-wit-blauw wel weer vertegenwoordigd, maar intussen was Van Otterloo weer ziek geworden; de longkanker die zo succesvol leek te zijn behandeld in het voorjaar van 1983, bleek te zijn teruggekeerd. Bij de festivalfinale in Noorwegen werd hij vervangen door Harry van Hoof, die daarmee voor het eerst in zeven jaar als dirigent op het songfestival acte de présence gaf.

Toen de voorbereidingen van het Nationaal Songfestival van 1987 op punt van beginnen stonden, was de toestand van Van Otterloo nog verder verslechterd. Hoewel hij lange periodes thuis doorbracht om te herstellen, voerde hij zijn werkzaamheden bij het Metropole Orkest uit voor zover zijn gezondheid hem dat toeliet – en hij besloot dat hij ondanks alles het Nationaal Songfestival erbij wilde doen. Voor deze editie werden componisten uitgenodigd hun werk in te sturen; uiteindelijk werden zes liedjes gekozen, die door één artiest werden uitgevoerd: Marga Bult, voormalig zangeres in de meidengroep Babe; speciaal voor het songfestival nam ze de artiestennaam Marcha aan. Marga had nog nooit eerder met Van Otterloo gewerkt toen ze de Hilversumse studio binnenstapte om haar zes liedjes met het Metropole Orkest te repeteren.

“Eerlijk gezegd was ik toch wel zenuwachtig”, herinnert de Twentse zangeres zich. “maar toen ik binnenkwam, stonden alle orkestleden tegelijk voor mij op. Dat vond ik nogal wat! Ik bedankte ze en gaf Rogier een hand. Vervolgens tikte hij meteen af. Niet te veel tijd verdoen, hup – hij hield duidelijk van tempo maken. Het was geweldig… je zweeft gewoon met zo’n orkest. Voorafgaand aan de nationale finale waren er twee repetitiedagen. Na de tweede kwam Rogier naar me toe en zei: “Mevrouw Bult, mag ik u iets zeggen? Wat bent u een professional! Ik ga u kussen.” Toen gaf hij mij drie zoenen op de wang, en plein public voor het hele orkest. Ik was erg verbaasd, want tot dan leek hij een beetje afstandelijk. Mijn producer Peter Koelewijn was er ook bij tijdens die repetities. Hij was er beduusd van. “Geloof me, Marga, ik ken Rogier al heel lang, maar dit heb ik nog nooit meegemaakt. Dit heb ik die man nog nooit zien doen!” Je snapt wel dat me dat toen al heel goed deed.”

Na de repetities in Hilversum vond de uitzending van het Nationaal Songfestival plaats op locatie in het conservatorium van Den Haag. Tot woede van Van Otterloo en het orkest bleken de meeste songwriters voor hun lied een ritmetrack te hebben voorbereid. Een patstelling tussen het orkest en de deelnemende componisten was het gevolg. Het was weer het oude liedje, maar waar in 1983 uiteindelijk het Metropole Orkest er min of meer voor spek en bonen bijzat, trok het dit keer aan het langste eind: in de uitzending werden alle songs volledig live gespeeld.

Van Otterloo met Marga Bult tijdens de repetities van het Nationaal Songfestival in Den Haag (1987)

“Daarover ben ik met Rogier niet in discussie gegaan”, legt Marga uit. “Dit was iets tussen de componisten en Rogier – en ik had geen zin om tussen twee vuren terecht te komen. Ik heb me geconcentreerd op het optreden met mijn backinggroep. Toen ‘Rechtop in de wind’ [één van de drie liedjes in de voorronde met tekst en muziek van Peter Koelewijn] eenmaal was uitgekozen voor het Eurovisiesongfestival, besloot Peter de steunbanden toch terug te brengen. Het ging vooral om aanvullende synthesizeraccenten. Het was toegestaan volgens de regels en het liedje kreeg daardoor gewoon meer power. Nadat we in Brussel waren aangekomen, heb ik het er wel kort met Rogier over gehad. Ik legde hem uit dat het er toch om ging het liedje zo sterk mogelijk te laten klinken. Natuurlijk was hij het er niet mee eens. Hij wilde voor het naturel gaan zonder mechanische toestanden. Ik begreep het ook wel; hij was zelfs een fel tegenstander van het gebruik van een clicktrack [een elektronische metronoom op de koptelefoon], laat staan ritmetracks. Ik denk dat hij zich als dirigent in zo’n situatie niet helemaal vrij voelde.”

Bij het internationale songfestival in Brussel kon Van Otterloo er niets meer aan veranderen. Het arrangement dat hij dirigeerde, bestond alleen nog maar uit partijen voor de strijkers en blazers. Ten overstaan van een journalist die de eerste repetitie bijwoonde, bevestigde hij teleurgesteld: “Pure playback dus. En dat terwijl in het orkest een fantastische ritmesectie zit.”

Het feit dat Van Otterloo er als dirigent van de Nederlandse delegatie in Brussel bij was, mocht op zich al een wonder heten. Marga daarover: “Zelfs toen ze bij de NOS het Nationaal Songfestival aan het voorbereiden waren, was men niet zeker of Rogier het aankon – en of hij het überhaupt wilde. Op een bepaald moment kreeg ik dus te horen dat hij het per se wilde doen. Na de nationale finale verliep er een week of vijf tot Brussel. Een paar dagen voordat we zouden vertrekken, begreep ik dat er opnieuw twijfel was of Rogier nog wel in staat was het te doen. Anders zou hij worden vervangen door Harry van Hoof. Er is met Harry gesproken of zijn agenda nog vrij was om in geval van nood in te vallen. Uiteindelijk heeft Rogier zelf aangegeven dat hij sterk genoeg was om mee te gaan. Ik had zo’n respect voor die man! Hij was echt heel mager geworden – magerder nog dan in Den Haag, en ook toen was het al heel duidelijk dat het niet goed met hem ging. Die man heeft zich voor duizend procent ingezet… voor mij, hè! Hij was een professional in hart en nieren.”

“In Brussel heb ik Rogier wel beter leren kennen”, zo vervolgt ze. “Inmiddels noemden we elkaar gewoon bij de voornaam – en hij had ontdekt dat ik in het verleden als verpleegkundige had gewerkt. Iedere dag vroeg ik hem gewoon even hoe hij zich voelde. “Wat fijn dat jij daarnaar informeert”, zei hij dan. Rogier was niet zo’n prater en hij wilde helemaal niet dat bekend werd hoe hij eraan toe was, maar met mij wilde hij er toen wel over praten – als het aan een tafel apart was, zonder dat anderen ons gesprek konden horen. Hij praatte zachtjes. Met mijn achtergrond had ik ook wel een beetje kennis van wat hij aan het doormaken was. Toen zat hij al flink aan de pijnstillers. Ik vroeg hem of hij wel op tijd had gegeten, of hij niet even wilde gaan slapen. Buiten de repetities om ging hij vaak naar bed. Wij gingen de feestjes af, maar Rogier heeft die allemaal overgeslagen. Op één van die avonden was er een optreden van Toots Thielemans – en die had hij natuurlijk best weer eens willen ontmoeten, maar dat zat er gewoon niet in. Wanneer zijn aanwezigheid niet absoluut vereist was, trok hij zich terug op zijn kamer.”

Marcha tijdens de repetities van het Nationaal Songfestival met achtergrondzangeres Denise van der Hek

Voor Marga’s tweede repetitie met het orkest was Van Otterloo te ziek om zijn plek in te nemen op de bok; zijn collega van de Vlaamse omroep, Freddy Sunder, die ook de Belgische bijdrage dirigeerde, werd gevraagd de honneurs waar te nemen. “Dat klonk allemaal hartstikke goed hoor”, aldus Marga, “maar het feit dat Rogier er niet was, voelde gewoon niet goed. “Het zal toch niet dat hij er niet bij kan zijn zaterdag?”, dacht ik. Bij de eerste repetitie had ik al gemerkt hoe diep respect die Belgische orkestmusici voor hem hadden. In een ander land verder weg zou het misschien anders zijn geweest, maar in België had hij een naam. Wanneer hij het orkest stillegde voor een instructie, waren ze een en al oor. Hem alleen al bezig te zien met dat orkest op die strakke manier die zo bij hem paste, gaf me een veilig gevoel op het podium. Toen ik hoorde dat hij voldoende hersteld was om het concert te doen, was ik wel opgelucht, hoor!”

Bij haar vertolking van ‘Rechtop in de wind’ op het Eurovisiesongfestival van 1987 straalde Marga een enorme dosis zelfvertrouwen uit. Het optreden werd door de jury’s beloond met 83 punten, waarmee ze op een gedeelde vijfde plaats uitkwam. Het was het beste Nederlandse resultaat in zeven jaar. Marga: “Na afloop heeft Rogier me gefeliciteerd met het resultaat. Hij noemde het een heel goede prestatie. In een onderonsje heeft hij me daarna nog bedankt voor mijn steun; en dat hij het heel bijzonder had gevonden met mij te werken. Voordat ik met hem had gewerkt, had ik al grote bewondering voor hem als componist en dirigent; zijn muziek bij ‘Soldaat van Oranje’ is een kunstwerk op zich. Na het songfestival was mijn respect voor hem alleen maar gegroeid. Van nature was hij misschien wat afstandelijk, maar je moest bij hem gewoon even door dat schild heen. Achteraf zei Peter Koelewijn ook tegen me dat het hem was opgevallen dat Rogier een klik voelde met mij. Vanaf de eerste repetitie was er wederzijds respect. Ja, die man heeft een onuitwisbare indruk bij mij achtergelaten.”

Achter de schermen in Brussel vertelde Rogier van Otterloo aan journalist Piet Koster van Het Vrije Volk: “Dit zal voor mij de laatste keer zijn; volgend jaar zal ik er niet meer bij zijn”. In het artikel ontbreekt de context van het citaat. Bedoelde Rogier dat hij het na vijf songfestivaldeelnames wel had gezien, of voelde hij wel dat het verloop van zijn ziekte zodanig was dat hij de volgende editie niet meer zou halen? Ook aan Koster zal hij het achterste van zijn tong wel niet hebben getoond. Hoe het ook zij, Van Otterloo kreeg gelijk – ‘Brussel’ was zijn laatste songfestival; sterker nog, de Eurovisiefinale van 1987 was zijn laatste televisieoptreden. De rest van het jaar zat hij thuis om te herstellen. Vrijwel iedereen, inclusief de meeste musici van zijn orkest, werd in het ongewisse gelaten over zijn situatie – tot het laatst toe; het herstel kwam er helaas niet en Rogier van Otterloo overleed in januari 1988.

Zijn laatste televisieoptreden: Eurovisiesongfestival 1987, Brussel

Overzicht van door Rogier van Otterloo gedirigeerde songfestivalbijdrages

1980 Den Haag
Lied: ‘Amsterdam’
Uitvoering: Maggie MacNeal (Sjoukje van 't Spijker)
Tekst: Alex Alberts
Muziek: Frans Smit / Sjoukje Smit-van ’t Spijker / Robert Verwey
Arrangement: Dick Bakker
Eindrangschikking: 5 (93 punten)

1981 Dublin
Lied: ‘Het is een wonder’
Uitvoering: Linda Williams (Henriëtte Willems)
Tekst: Cees de Wit / Bart van de Laar
Muziek: Cees de Wit
Arrangement: John Sluszny
Eindrangschikking: 9 (51 punten)

1982 Harrogate
Lied: ‘Jij en ik’
Uitvoering: Bill van Dijk
Tekst: Liselore Gerritsen
Muziek: Dick Bakker
Arrangement: Dick Bakker / Piet Souer / Peter Schön
Eindrangschikking: 16 (8 punten)
 
1984 Luxemburg
Lied: ‘Ik hou van jou’
Uitvoering: Maribelle (Marietje Kwakman)
Tekst: Peter van Asten / Richard de Bois
Muziek: Peter van Asten / Richard de Bois
Arrangement: Dick Bakker
Eindrangschikking: 13 (34 punten)
 
1987 Brussel
Lied: ‘Rechtop in de wind’
Uitvoering: Marcha (Marga Bult)
Tekst: Peter Koelewijn
Muziek: Peter Koelewijn
Arrangement: Paul Natte / Hans Hollestelle
Eindrangschikking: 5 (83 punten)

Bronnen & links

·         Afgezien van een uitputtend bronnenonderzoek en eigen eerdere onderzoek (voor een volledige lijst: zie hieronder) heeft Bas Tukker voor dit artikel interviews afgenomen bij Willy van Otterloo, Marietje ‘Maribelle’ Kwakman en Ernő Oláh (april 2020); alsmede met Sjoukje van ‘t Spijker (Maggie MacNeal) en Marga Bult (mei 2020). Bovendien had hij een mailwisseling met Bill van Dijk (april 2020).

·         Een speciaal voor dit artikel samengestelde playlist met een keuze uit Rogier van Otterloo’s composities, arrangementen en optredens als dirigent kan men vinden door op deze YouTube-link te klikken.

·         Een gedeelte van Rogier van Otterloo’s arrangementen voor radio en televisie kan men online inzien via deze link.

·         Relevante boekpublicaties:

-       Henk van Gelder, “Metropole Orkest 60 jaar”, Nijgh & Van Ditmar: Amsterdam 2005

-       John van Markwijk, “Rogier van Otterloo – arrangeur, componist, orkestleider”, Stichting Vrienden van het Metropole Orkest: Rotterdam 2011

-       Bas Tukker (2015), “Dolf van der Linden – De vader van het Metropole Orkest”, Stichting Metropole Orkest: Hilversum 2015

-       Bas Tukker (2017), “Dick Bakker – Achter de schermen van de muziek”, Stichting Metropole Orkest: Hilversum 2017

-       Ferry K. van der Zant, “Wanneer wordt het weer een beetje net als toen? De Nederlandse Nationale finales van het Eurovisie Songfestival. Deel 2: 1981-2005”, Stichting Eurovision Artists: Utrecht 2005

·         Relevante artikelen:

-       Co Berkenbosch (1980), “Johnny Logan verrassende winnaar”, in: De Telegraaf, 21 april 1980

-       Co Berkenbosch (1983), “Wat al jaren sluimert is tot uitbarsting gekomen”, in: De Telegraaf, 23 februari 1983

-       Co Berkenbosch (1984), “Veel onbekend talent in nationale selectie”, in: De Telegraaf, 14 maart 1984

-       Hans de Bruijn, “Sponsors krijgen greep op festival”, in: Nieuwsblad van het Noorden, 8 mei 1987

-       Peter Contant, “Boycot songfestival was het beste geweest”, in: Nieuwsblad van het Noorden, 25 maart 1987

-       Ben Dull & Frits Droog, “Rogier en ‘het mooiste wat op aarde bestaat’”, in: Het Parool, 19 januari 1980

-       Jip Golsteijn, “Ik streef beslist niet naar grote bekendheid”, in: De Telegraaf, 20 april 1973

-       Jos Haagmans, “Rogier van Otterloo: Mijn muziek is een verlengstuk van een boterham met kaas”, in: De Waarheid, 17 maart 1973

-       Piet Koster (1987), “Van Otterloo blijft bij Metropole Orkest”, in: Het Vrije Volk, 8 september 1987

-       Piet Koster (1988), “Van Otterloo: ambachtsman met muzikaal geweten”, in: Het Vrije Volk, 29 januari 1988

-       Henk van der Meyden (1981), “Liedjes voor Songfestival moeten beter worden”, in: De Telegraa, 24 augustus 1981

-       Henk van der Meyden (1988), “Nederland verliest in Rogier van Otterloo (46) een muzikaal genie”, in: De Telegraaf, 30 januari 1988

-       Louis du Moulin (1982 02), “Bill van Dijk met ‘Jij en ik’ naar Eurovisiesongfestival”, in: Het Vrije Volk, 25 februari 1982

-       Louis du Moulin (1982 04), “Songfestival? ’t Is weer hetzelfde liedje”, in: Het Vrije Volk, 24 april 1982

-       Roelfien Sant (1981 04 02), “Dagboek over Linda Williams”, in: Het Parool, 2 april 1981

-       Roelfien Sant (1981 04 04), “Jan en alleman vreet uit de festivalruif”, in: Het Parool, 4 april 1981

-       Roelfien Sant (1984), “Herrey’s winnen maar Marietje zit er niet mee”, in: Het Parool, 7 mei 1984

-       Bas Tukker, “En de dirigent is… Piet Souer: melodist en ondernemer”, in: EA-Nieuws, 2008-2009, no. 1, pg. 29-39

-       Jaap van Wansbeek, “Bach was de mis zelf”, in: Algemeen Handelsblad, 8 augustus 1964

-       Anon. (1980), “Ieder orkest is een ratjetoe van vreemde vogels”, in: Leeuwarder Courant, 21 februari 1980

-       Anon. (1981 03), “Wonderkaarsjes”, in: Het Vrije Volk, 14 maart 1981

-       Anon. (1981 04), “Linda Williams gebruikt muziek op band, dirigent Rogier van Otterloo er niet gelukkig mee”, in: Nieuwsblad van het Noorden, 3 april 1981

-       Anon. (1983 01), “Nieuw talent in songfestival”, in: Het Vrije Volk, 4 januari 1983

-       Anon. (1983 02), “Achtergrond uit de machine”, in: De Volkskrant, 24 februari 1983

-       Anon. (1984 05 04), “NOS-decor van half miljoen baart opzien”, in: Limburgs Dagblad, 4 mei 1984

-       Anon. (1984 05 07), “Als artiest ben je op songfestival vogelvrij”, in: Nieuwsblad van het Noorden, 7 mei 1984

·         Foto’s met dank aan Bas van Otterloo, Cees Pels en Ferry van der Zant.

·         Tevens dank aan Marc Bijlsma voor het aanleveren van aanvullende informatie over één van Rogier van Otterloo’s albumprojecten.

Website

www.rogiervanotterloo.nl

No comments:

Post a Comment